3.2 Vergelijking met eerdere crises
Om een beeld te krijgen van wat ons de komende jaren te wachten staat en te bepalen hoe we kunnen voorkomen dat de crisis onze economie nog harder treft, is het van belang om een vergelijking te maken met crises die op belangrijke aspecten vergelijkbaar zijn met de huidige. Maar wat is goed vergelijkingsmateriaal?
Er zijn twee kenmerken die de huidige recessie onderscheiden van eerdere recessies. Ten eerste is deze recessie het gevolg van problemen in de financiële sector. Hiermee onderscheidt de recessie zich bijvoorbeeld van de problematiek uit de jaren zeventig/tachtig, die met name veroorzaakt werd door te hoge arbeidskosten. Van de 122 recessies in ontwikkelde landen sinds 1960 waren er slechts 15 het gevolg van een financiële crisis.9 Een recessie die het gevolg is van een financiële crisis duurt gemiddeld bijna twee keer zo lang als een andere recessie (de BBP-daling zet 5,6 kwartalen door in plaats van 3,3 kwartalen bij andere recessies) en heeft een bijna anderhalf keer zo groot negatief effect op het BBP (de BBP-daling van de top voor de recessie tot het dal na de recessie is 3,4 procentpunt, terwijl dit bij andere recessies 2,6 procentpunt is).
Ook duurt het langer voordat de verloren groei weer is ingehaald (nadat de kwartaalgroei weer positief wordt, duurt het 5,6 kwartalen voordat het BBP het niveau van voor de recessie heeft bereikt; bij andere recessies is dit gemiddeld 3 kwartalen). Belangrijke reden hiervoor is dat door de financiële problematiek de nettovermogenspositie van bedrijven en burgers verslechtert, waardoor zij minder snel geneigd zijn om weer te investeren of consumeren (of daar minder snel de kans toe krijgen, doordat de bancaire sector minder goed in staat is hiervoor het benodigde krediet te verstrekken).
Het tweede kenmerk van de huidige recessie is dat wereldwijd landen worden getroffen. Sinds 1960 zijn er maar drie perioden geweest, waarin meer dan tien ontwikkelde landen tegelijkertijd getroffen werden door een recessie: 1975, 1980 en 1992. Ook deze 'gesynchroniseerde' recessies zijn langer (4,5 kwartalen versus 3,3 kwartalen) en dieper (3,5 procentpunt BBP-verlies versus 2,4 procentpunt) dan andere recessies. In veel recessies in het verleden was meer exporteren de exitstrategie. Deze oplossing werkt niet in een wereldwijde recessie. Een combinatie van deze twee kenmerken – een financiële crisis als oorzaak en een wereldwijde recessie – is zeer zeldzaam. Sinds de jaren zestig zijn er maar in 6 landen recessies geweest waaraan een financiële crisis voorafging en die plaatsvonden terwijl het merendeel van de ontwikkelde landen in een recessie verkeerde. Deze recessies duurden gemiddeld 7,3 kwartalen en lieten het BBP dalen met 4,8 procentpunt. Met name de crises in Finland en Zweden waren zeer ingrijpend. Deze duurden beide ongeveer 3 jaar met een BBP-verlies van 12,75 procentpunt respectievelijk 5,6 procentpunt.10 Om die reden zal in dit hoofdstuk vooral aandacht besteed worden aan deze twee recessies.
De recessie in Japan hoort niet tot de genoemde zes. Hoewel de problematiek in de financiële sector van Japan zeker in 1992 al speelde en ook de groei in dat jaar duidelijk vertraagde (van 3,4 procent in 1991 naar 1 procent in 1992), kwam dit land pas in het tweede kwartaal van 1993 – toen de economie in het merendeel van de andere ontwikkelde landen niet langer in recessie verkeerde – echt in een recessie terecht. Deze duurde slechts twee kwartalen; in 1997 was er opnieuw een recessie die twee jaar duurde en waar 3,8 procentpunt BBP werd verloren. In vergelijking met Zweden en Finland lijkt Japan er dus relatief goed vanaf gekomen. Er volgt echter een andere conclusie als we niet alleen kijken naar de jaren waarin er een negatieve kwartaalgroei was, maar ook naar de jaren met positieve groei. Zweden en Finland kenden een grotere krimp dan Japan, maar wisten in de jaren na de recessie een robuuste bbp-groei van respectievelijk 3¼ procent en 3¾ procent per jaar te realiseren. In Japan bleef de economie echter ook in de 'goede' jaren onder haar potentie presteren. Tussen 1992 en 2001 heeft Japan volgens OESO-schattingen 14 perioden van een half jaar (dus 77 procent van de hele periode) gekend waarin beneden potentie werd geproduceerd.14 Om die reden wordt deze periode in Japan dan ook vaak als lost decade aangeduid. Gezien de grote gevolgen van de crisis in Japan, is ook deze crisis relevant voor de vergelijking.
Hoewel bovenstaande crises belangrijk vergelijkingsmateriaal bevatten, moeten we blijven beseffen dat de huidige crisis uniek is in de naoorlogse geschiedenis. Geen van bovenstaande recessies vond plaats in een omgeving waar ook de financiële crisis mondiaal was. Om een combinatie te vinden van een wereldwijde financiële crisis met een wereldwijde recessie moeten we nog verder terug in de tijd. Dit hebben we voor het laatst meegemaakt in de jaren dertig van de vorige eeuw. De vergelijking tussen de huidige crisis en die Grote Depressie wordt dan ook veel gemaakt. Ook toen was het startpunt een financiële crisis in de VS en kwamen geleidelijk ook andere landen in de problemen. Wereldwijd is de impact op de industriële productie, de daling van de aandelenkoersen en het wereldhandelsvolume nu vergelijkbaar met die van destijds.16 De grote vraag is of dit ook nu weer zal leiden tot een Grote Depressie. Dat hoeft niet, want de tijden zijn ingrijpend veranderd en we weten ook beter dan destijds wat ons te doen staat.
Voeg toe aan Mijn Miljoenennota
Bron: Miljoenennota, Hoofdstuk 3, Crisis, what crisis?, pagina 28 (PDF, 165 kB)